Onlangs vond een overleg plaats tussen Ad Koppejan, voorzitter Koninklijke Binnenvaart Nederland (KBN) en Michiel van Kruiningen, directeur Maritieme Zaken bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Omdat Nederland momenteel het voorzitterschap bekleedt van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR), vervult Van Kruiningen tot het einde van dit jaar tevens de voorzittersrol binnen de CCR.
Tijdens het overleg is gesproken over de laatste stand van zaken rond de overgangsbepalingen voor de technische voorschriften die vanaf 2035 in de Europese Unie van kracht worden voor binnenvaartschepen.
Deze kwestie leidt al geruime tijd tot zorgen binnen de sector, met name bij eigenaren van oudere schepen tot 86 meter. Ook schepen tot 110 meter kunnen met deze regelgeving te maken krijgen. De nieuwe technische eisen, zoals aanpassingen aan plafondhoogtes of trapbreedtes, vragen om aanzienlijke investeringen die weinig bijdragen aan de veiligheid, maar wel grote financiële druk veroorzaken.
KBN vindt het belangrijker dat ondernemers hun middelen kunnen inzetten voor verduurzaming en, waar mogelijk, voor vlootvernieuwing. Daarbij ligt ook een verantwoordelijkheid bij verladers, die bereid moeten zijn mee te investeren in duurzame oplossingen.
Omdat het om een groot deel van de vloot gaat, zouden onwerkbare eisen verstrekkende gevolgen hebben voor de sector. Wanneer honderden binnenvaartondernemers door gebrek aan perspectief zouden stoppen, zou dat niet alleen de binnenvaartcapaciteit ernstig aantasten, maar ook leiden tot extra druk op het wegverkeer en negatieve effecten voor de economie.
Om dit te voorkomen, zet KBN zich al jaren actief in voor realistische overgangsbepalingen. Bij circa vijftig schepen van leden zijn metingen uitgevoerd om inzicht te krijgen in de praktische gevolgen van de nieuwe voorschriften. Op basis daarvan is een voorstel ontwikkeld voor een hardheidsclausule. Daarnaast heeft KBN intensief overleg gevoerd met het ministerie, de Tweede Kamer en de CCR in Straatsburg.
Binnen de CCR zijn inmiddels tien zogenoemde ‘probleembepalingen’ geanalyseerd en besproken: voorschriften die technisch moeilijk uitvoerbaar zijn of onevenredig hoge kosten met zich meebrengen. KBN heeft daarbij voortdurend aangedrongen op tijdige duidelijkheid richting de binnenvaartondernemers.
De gezamenlijke inspanningen hebben zichtbaar effect. Waar Nederland aanvankelijk alleen stond met haar standpunt, is er inmiddels brede steun van andere lidstaten ontstaan voor oplossingen gericht op schepen tot 86 meter, met als doel de capaciteit en diversiteit van de vloot te behouden.
Volgens Michiel van Kruiningen is de voortgang positief:
“Voor de meeste bepalingen is inmiddels overeenstemming bereikt over een oplossing. De verwachting is dat het totale pakket in december 2026 in CESNI/PT kan worden goedgekeurd voor opname in de concept-ES-TRIN 2029. Formele besluitvorming in het Comité volgt in oktober 2028. De ES-TRIN 2029 wordt formeel per 1 januari 2030 van kracht."